Van de hond die een zeeleeuw was

Het uitzicht vanaf mijn kamer is werkelijk prachtig! Ik kijk uit op de haven en de zee, kan de zeeleeuwen horen brullen en wordt iedere avond getrakteerd op een prachtige zonsondergang! Ondanks de rare eigenaar is dit werkelijk een heerlijke plek om een paar maanden te vertoeven.

Op één van mijn eerste avonden sta ik op mijn balkon te genieten van de gouden ondergaande zon die de lucht in allerlei kleuren doet veranderen. Schitterend! Zodra het donker is geworden zie ik op de hoek van de straat een zwerfhond lopen. Dit is niet zo verwonderlijk, want in Zuid Amerika stikt het van de zwerfhonden! Maar op de Galápagos komen ze bijna niet voor. De hond loopt mank en dat vind ik zielig. Ik wacht even of ik wellicht een baasje zie, en snel dan naar beneden om te kijken of ik de hond kan helpen.

Eenmaal beneden sta ik oog in oog met een zeeleeuw die mij brutaal aankijkt. ‘Verhip’, denk ik bij mezelf. ‘Waar is die hond nou gebleven?’ Het duurt een paar seconden voordat ik doorheb dat ik de zeeleeuw voor een hond heb aangezien. Ik moet lachen om mijn eigen stommiteit, en geef mezelf ook gelijk het excuus dat je niet zomaar een zeeleeuw midden op straat verwacht! Maar goed, hier op San Cristóbal dus wel.

De zeeleeuw wil graag verder lopen en is geïrriteerd dat ik in zijn weg sta. Hij brult er even flink op los, waardoor ik een stukje opzij spring en hij zijn weg vervolgt, naar een bankje bij de haven, waar hij vannacht rustig kan slapen.

Giechelend loop ik terug naar het hotel, vanwaar ik Eduardo mijn naam hoor roepen.’Jenny, ben jij dat? Kan je even naar mijn kamer komen? Ik heb je hulp nodig!’ Ik draai met mijn ogen en loop naar de kamer van Eduardo, afvragend wat hij nou weer heeft te zeuren. Eduardo ligt in zijn blote kont op bed, maar heeft wel het fatsoen om zich te bedekken op het moment dat ik de kamer binnen stap.’Oh Jenny, wat fijn dat je er bent. Hier, kom naast me zitten!’ Hij tikt met zijn hand op het bed, maar ik blijf liever staan en vraag wat ik voor hem kan betekenen. Eduardo verteld dat hij ziek is en wat eten nodig heeft. Ik bied aan om een soepje te maken, dat zal er vast wel ingaan. ‘Een soepje?’ Eduardo kijkt me verontwaardigd aan. ‘Welnee, Jenny. Doe niet zo mal! Ik wil kreeft! Als jij nou even verse kreeft gaat halen en deze voor mij gaat koken, dan ben ik zo weer beter!’Ik gruwel bij de gedachte om een levende kreeft in een pan te moeten gooien en vertel beleefd dat ik dit niet doe.

Eduardo’s rode gezicht wordt nog roder van kwaadheid. ‘WAT?!’ schreeuwt hij luid, ‘Dus jij ziet mij liever doodgaan dan dat je mij van eten voorziet? I’m dying, Jenny. DYING!!!’ Ergens moet ik wel lachen om de dramatische flair van deze man, maar tegelijkertijd raak ik steeds geirriteerder en antwoord dat hij echt niet zo snel zal doodgaan.
‘Maar Jenny, het voelt alsof ik doodga. En mijn lijf vraagt om verse kreeft.’ Ik blijf bij mijn punt dat ik met alle liefde een kom soep voor hem klaarmaak, of iets van pasta of rijst ofzo, maar dat ik geen kreeft ga koken.

Eduardo zucht en wuift met zijn hand; ‘Nou, ga dan maar weer weg. Maar als ik morgen dood in bed lig, is het jouw schuld!’ Ik rol nog een keer met mijn ogen, wens hem een fijne avond en loop terug naar mijn kamer.

Als ik de volgende ochtend beneden kom zit Eduardo al te smikkelen van zijn ontbijt.’Hey, kijk nou, je hebt het overleefd!’ Roep ik triomfantelijk. ‘Niet dankzij jou!’ moppert hij terug. Ik geef hem een stralende lach en huppel vervolgens naar Playa Mann, waar ik tussen de zeeleeuwen een lekkere frisse duik in zee neem.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *